donderdag 26 april 2012

Themabijeenkomst 5 + 6: Klinisch Assessment - Reflectie

Naar aanleiding van de opdracht klinisch assessment bij deze mijn reflectie hiervan.

Voordat we met deze opdracht begonnen, wist ik in eerste instantie niet wat ik van het klinisch assessment moest verwachten. Ook na het lezen van de kaart kon ik mij niet echt bedenken wat we voor deze opdracht zouden moeten doen. Des te erger dat ik die dag niet bij de uitleg kon zijn vanwege de vredesdag die ik samen met twee andere studenten had georganiseerd. Gelukkig hadden we van tevoren een groepje gemaakt en wisten deze dames ons de dag na de vredesdag super uit te leggen wat de bedoeling was van het klinisch assessment.

Ik heb van deze opdracht enorm veel geleerd. Wat ik van deze opdracht ten eerste geleerd heb, is dat het fijn is als je kunt samenwerken met mensen die net zo gemotiveerd zijn als dat jijzelf bent en die van aanpakken weten. Door goed te overleggen hadden we de opdrachten binnen twee dagen af. Ik heb deze opdracht gemerkt dat ik liever met meerdere mensen aan een opdracht

Ik vond de opdrachten die we bij het klinisch assessment kregen een goede oefening voor later. Opdrachten als: orden de klassenmap of bereid een gesprek met de ouders voor, liet mij echt nadenken over hoe ik later mijn klassenmap zou willen ordenen en hoe ik een gesprek met deze ouders zou willen voeren. Het liet me nadenken over mijn leerkracht handelen. Deze opdracht liet mij kijken naar mijn positieve punten, maar ook aan de punten waar ik nog aan kan werken. De creativiteit die de dames in mijn groepje hadden, is iets waar ik nog aan wil werken voor later. Dit is namelijk altijd handig als je voor de klas staat.

Ik vond dat er bij deze opdracht voornamelijk werd gekeken naar de mening van de leerkracht op de kinderen. Ik had het interessant gevonden om ook de mening van de leerlingen te lezen. We hebben in de literatuurboeken gelezen dat kinderen goed kunnen verwoorden wat goed bij hen gaat en waar ze nog moeite mee hebben. Als we dit ook bij de klassenmap hadden gekregen, had ik dit een nog betere opdracht gevonden dan hij al was. Zonder te slijmen vond ik deze opdracht een van de betere opdrachten die we voor de PABO hebben moeten doen. Ik heb echt het gevoel dat we een opdracht hebben gemaakt, waar we later ook nog wat aan hebben als we voor de klas staan.

vrijdag 20 april 2012

Toepassingskaart 7 - Opstellen van Individueel Handelingsplan

Volgens de toepassingskaart moesten we het protocol 'opstellen en uitvoeren handelingsplan' volgen dat we bij themabijeenkomst 4 hebben gebruikt. Ik kan mij echter niet herinneren dat wij het tijdens de themabijeenkomst hebben gehad over de intakefase, probleemanalyse, onderzoeksfase en adviesfase. Op basis van wat we bij themabijeenkomst 4 hebben gedaan, heb ik deze toepassingskaart gemaakt.

Met het format wat er op mijn stageschool is wat betreft een handelingsplan hieronder mijn handelingsplan voor rekenen en mijn handelingsplan voor woordenschat.

________________________________________________________________

Handelingsplan Rekenen

Naam: L.
Groep: 6
Leerkracht: Jessica Geluk

Te ontwikkelen vaardigheden

Vakgebied: Rekenen

Wat wil ik het kind leren?
- Aan het eind van semester 2, periode 4 is L. verbeterd wat betreft het cijferend rekenen met keersommen. Sommen zoals:

34 22
34x 18x
--------------------------------------------------------------------------------
Leerinhoud / methodiek

Methode / welke delen:
Methode: Wereld in Getallen

Specifieke leermiddelen:
- extra werkbladen waarbij uitsluitend wordt geoefend met dit soort sommen.
- eventueel sommen via de computer
--------------------------------------------------------------------------------
Organisatie

Wie doet wat:
- De leerkracht begeleidt L. tijdens de rekenlessen met de keersommen. Bij aanvang van de hulp zal zij veel ondersteuning bieden met het uitrekenen van de sommen, aan het eind van de begeleiding moet dit verminderd zijn.

Aanvang:
Semester 2, Periode 4.
Van begin mei tot eind juni.

Wanneer:
Tijdens de rekenlessen voordat met de stof van die dag begonnen wordt.

Duur:
Niet langer dan 10 minuten à 15 minuten per stagedag.
--------------------------------------------------------------------------------
Evaluatie

Datum:
Eind juni, datum nog niet bekend.

Toetsinstrument:
Werkblad met de sommen die zes weken zijn geoefend.

Resultaat:

_________________________________________________________

Handelingsplan Woordenschat

Naam: C. (m)
Groep: 6
Leerkracht: Jessica Geluk

Te ontwikkelen vaardigheden

Vakgebied: Woordenschat

Wat wil ik het kind leren?
- Aan het eind van semester 2 , periode 4 kan C. 70% van de geleerde woorden bij woordenschat actief en passief reproduceren wat betreft de betekenis van het woord.
--------------------------------------------------------------------------------
Leerinhoud / methodiek

Methode / welke delen:
Methode: Zin in Taal

Specifieke leermiddelen:
- werkbladen met de te leren woorden
- kaartjes met de te leren woorden en de betekenissen
--------------------------------------------------------------------------------
Organisatie

Wie doet wat:
Tijdens de taallessen op stagedagen zal de leerkracht voordat C. met haar werk begint achterin de klas oefenen met de woorden die de komende week aan bod komen. In het begin zal C. veel hulp nodig hebben van de leerkracht, aan het eind van de begeleiding zal C. deze begeleiding minder nodig hebben.

Aanvang:
Semester 2, periode 4.
Van begin mei tot begin juni.

Wanneer:
Aan het begin van de taalles voordat C. met haar gewone werk begint.

Duur:
Niet meer dan 10 à 15 minuten per dag

--------------------------------------------------------------------------------

Evaluatie

Datum:
Eind juni, datum nog niet bekend.

Toetsinstrument:
Werkblad met de woorden waarvan C. de betekenis moet vertellen of waarbij ze de woorden moet koppelen aan de juiste betekenis.

Resultaat:

donderdag 19 april 2012

Toepassingskaart 8 - Dyslexie II OK

Op deze toepassingskaart staan verschillende onderdelen. Al deze onderdelen behandel ik op deze blog. De volgende onderdelen zullen hieronder besproken worden:

- Zelfevaluatie + Reflectie op de beoordelingslijst voor leerkrachten bij de invoering van het Protocol Leesproblemen en Dyslexie
- Vragen en antwoorden met betrekking tot de powerpoints.
- Onze zelfgemaakte presentatie
- Bronnen

Zelfevaluatie + reflectie
Hieronder heb ik de foto's geplaatst waarop mijn zelfevaluatie staat.

Ik vond deze zelfevaluatie heel typisch om in te vullen. Wat ik vooral vreemd vond, waren de vragen die ingevuld moesten worden over competenties waar nu nog geen rekening wordt gehouden bij ons op school. Dit is dan voornamelijk de competentie samenwerken met collega's. Persoonlijk werken ze op mijn stageschool ook niet met het Protocol Leesproblemen en Dyslexie. Ik weet hier zelf ook nog te weinig over om echt goede antwoorden te kunnen geven op de vragen die gesteld werden. Wat ik wel goed vond aan deze zelfevaluatielijst, is dat je in een paar punten kunt zien waar je aan moet werken wat betreft dit protocol.

Vragen en antwoorden met betrekking tot de presentaties over dyslexie
Ik heb de volgende presentaties doorgelezen en de volgende vragen en antwoorden kwamen bij mij op.

- Wat is een daisyspeler?
Daisy biedt gesproken tekst aan, vaak op CD. Schoolboeken kunnen hierdoor voorgelezen worden, maar ook artikelen.

- Wat is een Reading Pen?
Een Reading Pen is een pen die een bepaalde tekst scant en de tekst die voor je ligt ook weer voorleest. De Reading Pen helpt je bij het lezen van Nederlandse teksten, maar kan ook gebruikt worden om Engels te leren en te helpen met de Engelse uitspraak.

- Wat is Pi-Spello?
Pi-Spello is de methode, die erkent dat een kind met spellingmoeilijkheden (en dyslexie) geen houvast heeft aan een woordbeeld en dus af moet gaan op de klanken van een woord. Pi-Spello maakt daarnaast gebruik klanken en kleuren. Pi-Spello heeft ook een apart alfabet, het Pi-spellobet.

- Welke informatieve boeken zijn er allemaal te vinden over dyslexie?
Tijdens de presentatie kwamen de volgende boeken ter sprake:
- 'De dyslexie survival gids',
- 'ik heb dyslexie, nou en',
- 'wij zijn niet dom'.

- Wat kun je ouders tijdens een ouderavond vertellen over dyslexie?
Tijdens een ouderavond over dyslexie kun je met deze ouders de volgende punten bespreken:
- Wat is dyslexie precies?
- Tegen welke problemen kunnen kinderen met dyslexie in de klas aan lopen?
- Hoe kunnen de ouders de kinderen ondersteunen?

- Wat is Ralfi lezen?
Ralfi is een methodiek om de leesvaardigheid te verbeteren bij kinderen, bij wie het lezen niet versnelt of automatiseert, wat meestal het geval is bij kinderen met dyslexie.

- Wat voor een stappenplan is er voor kinderen die dyslexie hebben?
Er is een stappenplan gemaakt op basis van een versje. In dit versje staan alle woorden met bijvoorbeeld -au. Als een kind niet weet of een woord met -au of -ou geschreven wordt, kan dit kind aan het versje denken. Komt dit woord niet in dit versje voor, weet het kind dat dat woord geschreven moet worden met -ou.

Onze eigen presentatie + bronnenlijst
Onze eigen presentatie ging over boeken die zelfbeeld van kinderen met betrekking tot dyslexie kan vergroten. Hieronder staat wat wij wilden vertellen.

Tijdens deze presentatie zouden we het hebben over boeken voor kinderen met dyslexie van groep 5 tot en met groep 8 die zouden helpen om het zelfbeeld van deze kinderen te vergroten.

Voor een kind met dyslexie kunnen ervaringen met lezen en spellen zo vervelend worden dat een kind hierdoor behoorlijk gefrustreerd kan raken en de moed kan verliezen om nog te gaan lezen. Het kind kan met faalangst reageren wanneer hij of zij moet lezen. Lezen blijft een kind met dyslexie vervelend vinden en wanneer hij of zij hardop voor moet lezen in de klas, kan het zijn dat dit kind smoesjes gaat verzinnen om maar niet hardop te hoeven lezen.
Wat voor elk kind belangrijk is, dus ook voor een kind met dyslexie, is dat het kind succeservaringen krijgt. Door middel van de boeken die wij gekozen hebben, denken wij dat een kind met dyslexie deze succeservaring kan krijgen.

We hebben aan kinderen met dyslexie gevraagd wat hun ervaringen zijn met boeken en wat ze in deze boeken belangrijk vinden.
- de boeken moeten met een thema zijn dat past bij de interesse
- er moeten veel plaatjes in deze boeken
- de boeken moeten grotere letters dan ‘normale’ boeken hebben
- ze vinden het fijn als er geen lange zinnen in de boeken staan.

Speciaal voor kinderen met dyslexie zijn er uitgeverijen die speciale reeksen op de markt hebben gebracht. Dit zijn:

- Serie zoeklicht van uitgeverij Zwijsen
- De kokkel-reeks van uitgeverij de Inktvis
- Geronimo Stilton
- Troefreeks van uitgeverij van Tricht

Deze laatste reeks is gemaakt voor kinderen vanaf 13 jaar, dus vanaf de middelbare schoolleeftijd. Toch hebben we deze erbij gezet voor als een kind met dyslexie in groep 8 toch behoefte heeft aan iets moeilijkere boeken.

De boeken die wij hebben gekozen, zijn te vinden in de PowerPoint.

De boeken die ik heb gekozen zijn de volgende boeken
- Juf vermist van Johan Struik. Dit is een boek uit de Kokkelreeks.
Wanneer juf Rosa plotseling niet meer op school komen, gaan Sonny en Pip op onderzoek uit. Ze vinden de juf uiteindelijk, maar komen daarbij zelf ook gevangen te zitten. De juf vertelt het verhaal waarom ze is ontvoerd. Haar broer is deze mannen geld schuldig. De mannen dachten door haar te ontvoeren, dat haar broer wel gedwongen werd om te betalen. Uiteindelijk werden juf Rosa, Sonny en Pip bevrijd door de politie en kwam alles weer goed.



- Linde pest terug van René van Harten. Dit is een boek uit de Troefreeks.
Al een lange tijd wordt Linde getreiterd door meneer Gekes, haar leerkracht. Linde is dit op een
gegeven moment zat en bedenkt manieren om meneer Gekes ook te treiteren. Ze had al zijn band lekgeprikt, maar het pesten bleef doorgaan. Ze nam drastischere maatregelen. Ze ging naar het tuinhuisje van meneer Gekes om dit in brand te steken. In het tuinhuisje bleken de gestolen computers van school te zitten. Dit wordt verteld aan de directeur van de school, die meneer Gekes uiteindelijk schorst. Het pesten houdt op en Linde kan weer met een gerust hart naar school.
Wat deze boeken gemeen hebben is dat:
- de boeken bestaan uit korte zinnen en korte alinea’s
- de hoofdstukken in de boeken meestal maar uit één of twee pagina’s bestaan
- de boeken ondersteunde plaatjes hebben
- sommige van deze boeken een speciaal lettertype hebben
- sommige van deze boeken gedrukt zijn op speciaal gekleurd papier

Als je kijkt naar wat de kinderen met dyslexie belangrijk vinden en wat de boeken die wij gekozen hebben gemeen hebben, komt het grootste gedeelte overeen. Wij denken dat de boeken die wij gekozen hebben, hierdoor ook het zelfbeeld van de kinderen met betrekking tot het lezen zullen vergroten.
Bronnenlijst
- Expertisecentrum Nederlands (2011). Dyslexie, school & gezondheidszorg/Tips voor ouders. Geraadpleegd op donderdag 19 april 2012 via

- Harten, R. van (2002). Linde pest terug. Twello: van Tricht
- Struik, J. (2005). Juf vermist. Dordrecht: De Inktvis

woensdag 18 april 2012

Toepassingskaart 6 - Observatie Leerprobleem (Tijdsteekproef)

Beginsituatie
Voor deze toepassingskaart heb ik gekeken naar A. A. is een leerling die mij tijdens het werken opviel. Wat mij voornamelijk opviel bij A. is dat hij tijdens het werken veel om zich heen keek of in ieder geval ergens anders naar toe keek dan naar zijn boek om te werken.
Wat ik met betrekking tot de taakgerichtheid van dit kind wil veranderen:
Aan het eind van mijn begeleiding kijkt leerling A. minder om zich heen tijdens het zelfstandig werken.

Hieronder de startobservatie die ik bij A. heb uitgevoerd.


Ik heb A. volgens de methodiek van de tijdsteekproef geobserveerd.
De uitkomst van deze tijdsteekproef is als volgt.

Van de 15 minuten die ik deze leerling heb geobserveerd:
was A. 44 % van de tijd taakgericht aan het werk.
was A. 25% van de tijd aan het dagdromen, rondkijken of met andere activiteiten bezig.
had A. 18% van de tijd contact met een medeleerling
had A. 0% van de tijd contact met een leerkracht
was A. 13% van de tijd aan het opstaan of aan het rondlopen.

Begeleiding
De begeleiding die ik heb gekozen voor A. is om wanneer A. met de taak gaat beginnen van tevoren bij A. te zitten en rustig te bespreken wat hij gaat doen en hoe hij dat gaat doen.

Na mijn begeleiding heb ik vervolgens een eindobservatie gedaan.


Ik heb A. opnieuw volgens de methodiek van de tijdsteekproef geobserveerd.
De uitkomst van deze tijdsteekproef is als volgt.

Van de 15 minuten die ik deze leerling heb geobserveerd:
was A. 56 % van de tijd taakgericht aan het werk.
was A. 13% van de tijd aan het dagdromen, rondkijken of met andere activiteiten bezig.
had A. 20% van de tijd contact met een medeleerling
had A. 9% van de tijd contact met een leerkracht
was A. 2% van de tijd aan het opstaan of aan het rondlopen.

De conclusie die ik op basis van deze observaties kan trekken, is als volgt.
A. was meer taakgericht aan het werk, 56% in plaats van 44%. A. was veel minder aan het dromen, 13% in plaats van 25% van de tijd. A. had wel iets meer contact met een medeleerling 20% in plaats van 18% van de tijd. A. had veel meer contact met een leerkracht, 9% in plaats van 0% van de tijd. Dit was echter wel op initiatief van de leerkracht. Ten slotte was A. veel minder aan het rondlopen, 2% van de tijd in plaats van 13% van de tijd.

Uiteindelijk kan ik concluderen dat mijn begeleiding wel heeft geholpen. Toch denk ik dat A. deze begeleiding wel nodig zal blijven hebben.

Toepassingskaart 5 - Afstemmen in Taaksituaties

Op basis van een rekenles heb ik het stappenplan uitgevoerd. Hieronder mijn lesvoorbereiding op basis van deze les en het voorbereidingsblad wat ik daarbij heb gebruikt en ingevuld.
Reflectie van de les en deze toepassingskaart
Na het gesprek met A. ging A. gelijk aan de slag. Doordat hij taakgericht bezig was, gaf ik de positieve feedback. Ik vertelde A. dat hij goed met de opdrachten bezig was. Nadat A. klaar was, ben ik samen met hem de afspraken nagelopen. Hij vertelde dat hij binnen 2 minuten klaar zou zijn en alle opdrachten goed zou hebben. De tijd duurde iets langer, maar hij had wel alles goed. Normaal gesproken is A. iemand die minder taakgericht bezig is dan de rest van de klas. Ik heb hem hier dus voor gecomplimenteerd door te zeggen:
'Super dat je de sommen allemaal goed heb gemaakt en ook nog binnen 10 minuten'.

zondag 15 april 2012

Toepassingskaart 3 - Groepsplannen en Individuele Handelingsplannen

Voor deze toepassingskaart heb ik gevraagd of er gebruik wordt gemaakt van individuele handelingsplannen. Er werd gezegd, dat hier niet echt meer gebruik van gemaakt wordt op mijn stageschool. Toch was er nog wel een format van een handelingsplan wat ik mee kon nemen om te analyseren. Op deze school wordt verder gebruik gemaakt van leerarrangementen. Dit is eigenlijk het groepsplan.

Handelingsplan
Het format van dit handelingsplan betreft vier punten:
- te ontwikkelen vaardigheden (op welk gebied en wat wil je als leerkracht het kind leren?)
- leerinhoud/methodiek (welke methode en welke specifieke leermiddelen gebruik je?)
- Organisatie (wie doet wat, aanvang, wanneer en duur)
- Evaluatie (wanneer zal de evaluatie zijn, welk toetsinstrument wordt daarvoor gebruikt en wat is het uiteindelijke resultaat)

Groepsplan
Het groepsplan bestaat uit vier 'arrangementen'.
- talent arrangement (voor de kinderen die boven het niveau zitten en extra werk nodig hebben)
- basis arrangement (dit geldt voor alle leerlingen)
- intensief arrangement (voor kinderen die onder het niveau zitten en extra begeleiding nodig hebben)
- zeer intensief arrangement (voor kinderen met een individueel ontwikkelingsperspectief, dus een eigen leerlijn)
Per arrangement staan ook (bijna) alle volgende punten:
- beginsituatie
- leerstof einddoel deze periode
- onderwijsbehoeften deze periode
- organisatie
- materialen
- evaluatie


De belangrijkste verschillen die ik heb gezien in het handelingsplan en het groepsplan zijn de volgende punten:
- Het groepsplan is zoals de naam het al zegt voor de hele groep, het handelingsplan is voor het individuele kind.
- Op het handelingsplan wordt niet gesproken over de beginsituatie van het kind, terwijl dit op het groepsplan wel naar voren komt.
- Op het handelingsplan zijn de punten organisatie en evaluatie meer uitgewerkt. Hiermee wordt bedoeld dat er een richtlijn op aangegeven is, wat er onder organisatie en evaluatie wordt verstaan.


Hieronder foto's van een format van het groepsplan en het handelingsplan dat op basisschool de Toermalijn wordt gebruikt.

Handelingsplan Format




Groepsplan Format

Toepassingskaart 2 - Interview met mentor

Hieronder het interview wat ik met mijn mentor heb gehouden. Per punt (sfeer, relatie met de kinderen, relaties onderling, de groep, algemene leerprestaties, organisatie, overzicht specifieke behoeften, individuele leerprestaties, gedrag en werkhouding, ouders, leerlingen met specifieke behoeften, de intern begeleider) zal ik hieronder een samenvatting geven hoe mijn mentor de vragen heeft beantwoord.

Sfeer
Over de sfeer in de groep is mijn mentor soms wel en soms niet tevreden. Er zijn nogal wat kinderen (meestal 6 à 7 jongens) die een negatieve stempel op de sfeer kunnen drukken. Zij moeten soms teveel gewaarschuwd worden en moeten in de gaten gehouden worden. Als de sfeer in procenten uitgedrukt zou moeten worden, is het utieindelijk toch 90 procent positief en 10 procent negatief. Volgens mijn mentor is de sfeer gezellig als er door de kinderen met plezier naar school wordt gegaan. Hier houdt mijn mentor dan ook rekening mee. De kinderen die altijd de boventoon voeren in de klas en willen opvallen zijn de kinderen die op den duur een negatieve invloed op de sfeer in de klas kunnen krijgen.


Relatie met de kinderen
Met alle kinderen heeft mijn mentor een goede relatie. Met het ene kind is deze relatie wel wat lastiger dan met een ander kind. Als een relatie te wensen over laat, probeert mijn mentor iedere keer weer opnieuw om deze relatie positief en goed te krijgen.

Relaties onderling
In principe gaan de meeste kinderen plezierig met elkaar om. De relatie tussen C(m). en L. is op zijn tijd weleens lastiger. De jongens hebben weleens problemen met elkaar wanneer het om winnen of verliezen gaat. Verder hebben C (m)., An. en R. ook problemen met elkaar. In het begin van groep 6 waren de jongens anti-meisjes en was er sprake van een duidelijke groepsvorming. Dit is nu veel minder. C (m)., L. en R. zijn de eenlingen van de groep. Zij proberen ook niet om in de groep te komen. Dit moet mijn mentor doen, anders gebeurt er niets.

De groep
De kinderen hebben geen moeten met de omgangsregels wat betreft het gezag van de leerkracht. Ze weten bovendien wat de regels zijn. De kinderen hebben nog wel wat moeite met de omgangsregels wat een gesprek voeren betreft. De kinderen zijn nog weleens geneigd voor hun beurt te praten en luisteren naar elkaar kunnen de kinderen ook lastig vinden.
Mijn mentor kan op zijn gemak ergens naar toe buiten de klas. De groep is dan gewoon oké als hij er niet is. Zodra een ander lesgeeft, wordt het al lastiger voor de kinderen. Het is afhankelijk van de leerkracht die lesgeeft en ook of deze leerkracht maar een uurtje lesgeeft of de hele dag. Het buitenspelen van deze groep gaat steeds beter. Ze spelen als één groep samen en er zijn niet veel ruzies.
In deze groep moet je volgens mijn mentor altijd alert zijn wat betreft sociale omgang. Er is altijd wel sprake van sociaal-emotionele activiteiten. Zodra er een incident plaatsvindt, wordt er altijd wel gepraat hoe hiermee omgegaan moet worden. Als er een tijd aan geplakt moet worden, wanneer er echt aandacht wordt besteed, is dit 30 minuten in de week. De activiteiten zijn niet echt gepland. Er is sprake van sociale controle. De activiteiten ontstaan eigenlijk altijd spontaan.

Algemene leerprestaties
Bij afname van dit interview zaten er 21 leerlingen in de klas. Dit zijn er nu 22. Als je gaat kijken naar de cito-scores van vergelijkbare scholen, zitten de kinderen van deze klas redelijk op niveau. Voor de kinderen die boven niveau presteren, geldt dat dit voor alle vakken zo is en de kinderen die onder niveau presteren, presteren ook onder bij alle vakken.
De kinderen die over het algemeen op alle vakken redelijk boven niveau presteren zijn:
I., Si., Rah. en Sharm. De kinderen die beduidend onder dat niveau zitten, zijn C. (m), C. (j), Ay., An., L., Ri., Y. en F.

Organisatie
Tijdens de weektaak en verder tijdens het werken zijn de kinderen redelijk in staat tot zelfstandig werken. De kinderen vinden het wel leuk om samen te werken en aan elkaar uit te leggen. Wat mijn mentor wel opvalt, is dat deze groep kinderen veel voorgekauwd wil krijgen, terwijl de kinderen hun werk wel gewoon kunnen doen. Het is volgens mijn mentor lastig om zwakkere leerlingen verlengde instructie te geven, maar dit is iets wat MOET gebeuren. Dat is in ieder geval het streven. Wanneer er verlengde instructie wordt gegeven, gebeurt dit aan het bureau van mijn mentor of gebeurt dit in het extra lokaal dat aan het lokaal vastzit. Hierbij moet het overzicht op de klas gehouden worden.
Er zijn in de groep geen kinderen met een eigen leerlijn.
De leerlingen die erg snel of erg goed presteren, krijgen extra werk of mogen hulp bieden aan 'zwakkere' leerlingen. Zowel de kinderen als mijn mentor zijn daar tevreden over.

Overzicht specifieke behoeften
De leerlingen die specifieke behoeften hebben, hangt erg af per vak.
Rekenen: Ri., Sh., Ay., Y., C (m)., L. en F.
Begrijpend Lezen: C. (m), C. (j), Ay., F., R. (m), Y., L., Ri., An., Ran. en Ha.
Spelling: C. (m), F., Ay., Ran., Ek., An., C. (j), Ri., Y. en L.
Woordenschat: Er., Sh., C. (m), R. (m), F., C. (j), Ri., Y., Ran., An., L., Ay. en Ha.

Individuele leerprestaties
Deze leerlingen hebben voornamelijk behoefte aan materiaal bij hun werk. Er is een duidelijk verschil in de klassenprestaties en de scores bij screeningsonderzoeken. Volgens mijn mentor heeft dit te maken met het feit dat deze kinderen meestal laat in Nederland zijn gekomen en thuis niet altijd Nederlands spreken.
Volgens mijn mentor waren de meeste kinderen gemakkelijk te motiveren. De leerlingen weten dat ze minder goed zijn dan de rest van de kinderen en ervaren dit prima. Zodra ze ook iets goeds doen, worden deze kinderen gecomplimenteerd. Deze kinderen ervaren het niet als iets ergs dat ze moeite hebben met bepaalde stof.
De middelen die er zijn, zijn goed om deze kinderen te ondersteunen.


Gedrag en werkhouding
Zodra de kinderen geen goede werkhouding laten zien, worden er maatregelen genomen. Dit betreft onder andere stil zitten en niet verder werken totdat de kinderen kunnen laten zien dat ze het wel kunnen. Zodra er gedrag wordt vertoond wat volgens mijn mentor niet kan, worden de namen van de kinderen opgeschreven op het bord. Dit betekent meestal dat er dan na schooltijd nog even moet worden nagebleven. Deze aanpak is niet wat mijn mentor wil, maar is wel effectief.

Ouders
Ouders hebben volgens mijn mentor af en toe (te) hoge verwachtingen van hun kinderen, terwijl de kinderen deze niet kunnen waarmaken. Verder zijn de ouders wel behulpzaam, ze willen de kinderen graag helpen met hun problemen.

Leerlingen met specifieke behoeften
Er zijn in deze klas geen leerlingen die als erg zwaar worden ervaren. C. (j) kan af en toe weleens als zwaar worden bevonden, maar dit heeft meer te maken met zijn gedrag dan met zijn behoeften op leergebieden. Het lesplezier en het lesgeven van mijn mentor komt hierdoor niet onder druk te staan. Af en toe is het vermoeiend, maar het lesplezier blijft altijd.
Er wordt op deze school niet meer gewerkt met handelingsplannen, maar met leerarrangementen. In dit leerarrangement staat bij deze leerlingen wat het doel is waar deze kinderen een bepaalde periode aan gaan werken, wat voor een onderwijsbehoeften deze kinderen daarbij hebben en wat voor een materialen ze daarbij nodig zijn.
Alle leerlingen die in deze klas zitten, horen ook in deze klas en op deze school thuis.

De intern begeleider (IB'er)
De intern begeleider is op school voor het bekijken van handelingsplannen en het ondersteunen van de kinderen die dit nodig hebben. Toch vindt mijn mentor dat een IB'er eigenlijk meer een papiertje is en dat is zonde. De IB'er dient volgens mijn mentor de kinderen meer te begeleiden. Voor de rest is de ondersteuning van de IB'er in principe prima!

Gastcolleges - Reflectie

Tijdens dit thema diversiteit hebben we meerdere gastcolleges gehad van verschillende instanties. Hieronder mijn reflectie hierover wat ik van deze gastcolleges vond.

De eerste ronde gastcolleges waren van Roy Raktoe die werkte voor de onderwijsinspectie en een vrouw die kwam vertellen over passend onderwijs. Ik begon met Roy Raktoe van de onderwijsinspectie. Wat wel grappig was, was dat de eerste dag op mijn nieuwe stage de onderwijsinspectie op bezoek kwam. Ik had hierdoor al een heel beeld in mijn hoofd van wat de onderwijsinspectie precies doet en wat ik van de inspectie moest vinden. Toen meneer Raktoe echter begon te vertellen, stond ik er niet bij stil hoeveel de onderwijsinspectie eigenlijk nog meer doet. Wat ik in mijn hoofd had van de onderwijsinspectie, was dat ze alleen maar naar punten zouden gaan zoeken om jouw school of jou als leerkracht onderuit te halen, maar in dit college werd verteld dat dit niet hun intentie is. Toch vroeg ik mij na dit college af of dit echt wel zo is. Als inspectie lijkt het mij dat je toch eerder naar punten kijkt die je niet aanstaan, dan naar punten die wel goed gaan.
Hierna volgde het college over passend onderwijs. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik van deze workshop meer had verwacht. Ik had verwacht dat we echt in zouden gaan op hoe het passend onderwijs in elkaar zit, zeker met een leerkracht die ook in het passend onderwijs zit. Tijdens dit college ging het echter meer over de ontwikkeling die het passend onderwijs heeft doorgemaakt en hoe de organisatie achter dit onderwijs in elkaar zit. Ook interessant, maar niet wat ik ervan verwacht had.

De tweede ronde gastcolleges maakte alles echter goed. Je kon kiezen voor twee gastcolleges. Ik had gekozen voor Myrthe van Til die werkt op de Leo Kannerschool en Klazien van Walsum van bureau Jeugdzorg. Wat ik had gehoopt dat je te horen kreeg bij het college Passend Onderwijs, kreeg ik te horen bij het college van Myrthe. De Leo Kannerschool is een school met uitsluitend autistische kinderen. Hoe dat er op die school aan toe gaat, was zo interessant om te horen. Ik had voor dit college al voor de minor Passend Onderwijs gekozen, maar dit college heeft mij ervan overtuigd dat ik de goede keuze heb gemaakt.
Ook het college van bureau Jeugdzorg was interessant, hoewel ik vond dat er wel te lang werd doorgegaan op hoe de organisatie erachter in elkaar zit. De verhalen van de families die met bureau Jeugdzorg in aanraking komen, kwam bij mij veel meer binnen en dit is ook wat van dit college is, blijven hangen. Wat mij heeft verbaasd bij dit college, was de casus die we kregen. We kregen een casus van een jongen en met een cijfer van 1 tot 10 moesten wij bepalen hoe zorgelijk de situatie van deze jongen was. Ik had al een hoog cijfer gegeven, maar na het lezen van de informatie achter de casus, had ik naar alle waarschijnlijkheid een nog hoger cijfer gegeven. Echt verbazend wat er allemaal achter één kind schuil kan liggen.

Over het algemeen hebben deze colleges op mij een goede indruk achtergelaten. Voornamelijk de praktijkverhalen zijn echt bij mij blijven hangen en dat is volgens mij de bedoeling van deze colleges geweest.

maandag 9 april 2012

Toepassingskaart 4 - Oudergesprekken

Toevallige gesprekken
Bij de toevallige gesprekken ging het voornamelijk over incidenten die in de klas waren gebeurd.
Wat mijn mentor bij deze toevallige gesprekken in het algemeen goed deed was op een duidelijke manier met deze ouders praten. Nederlands is in de meeste gevallen de tweede taal van deze ouders en sommige leerkrachten zouden dan op een veel lager niveau met deze mensen in gesprek gaan. Dit deed mijn mentor absoluut niet, wat ik een zeer positief punt vind.

Bij één gesprek zag je dat er moeder nogal ongerust was over een incident dat na schooltijd was gebeurd. Wat ik goed vond wat mijn mentor deed bij dit betreffende gesprek, was dat hij deze moeder gerust stelde en zei dat er werk van gemaakt zou worden. Diezelfde dag ging mijn mentor nog in gesprek met de kinderen die bij het incident betrokken waren.

Wat ik anders zou doen dan mijn mentor bij de toevallige gesprekken, gaat dan voornamelijk over dit laatste voorbeeld. Dit gesprek vond plaats op de gang en ook al is het een toevallig gesprek, ik had een rustigere plaats opgezocht om even met deze moeder in gesprek te gaan.

Geplande gesprekken
De geplande gesprekken waren de 10-minuten gesprekken.

Voorbereiding
Mijn mentor had zich op deze gesprekken voorbereid door op een blaadje per leerling de punten op te schrijven die hij met de ouders wilde bespreken. Dit ging dan voornamelijk over de scores die deze kinderen hadden gehaald bij toetsen, maar ook punten wat betreft de werkhouding van het kind en dergelijke.

Organisatie
Voor de gesprekken had mijn mentor de tafels zo gezet dat zodra de ouders binnenkwamen ze wisten waar ze moesten gaan zitten. Hij had een groepje tafels zo neergezet dat hij tegenover de ouders zat. 10-minuten gesprekken lopen altijd uit. Bij het organiseren van de 10-minuten gesprekken had mijn mentor na 3 gesprekken een pauze ertussen gezet. Als een gesprek dan uitliep, kon dat ondervangen worden in die 10 minuten.

Goede punten
- Door het lijstje wat mijn mentor voor zich had, wist hij precies wat bij moest vertellen en was hij goed voorbereid.
- Wanneer de ouders weggingen, liep mijn mentor mee naar de deur. De ouders die dan stonden te wachten, kon hij gelijk verwelkomen.

Wat zou ik anders doen?
- Ik merkte dat mijn mentor erg op de tijd lette, wat logisch is. Toch merkte ik dat er ouders waren die wel meer wilden vertellen. Jammer als het uitloopt, maar ik zou toch met deze ouders in gesprek blijven totdat zij ook verteld hebben wat ze willen vertellen.
- Ik zou tijdens het gesprek meer werk van de kinderen erbij pakken, zodat de ouders echt goed kunnen zien wat de kinderen allemaal aan het doen zijn.
- Mijn mentor begon gelijk met het vertellen van de resultaten van de kinderen. Ik zou eerst met de ouders in gesprek gaan hoe het met hun gaat, hoe het thuis gaat en daarna zou ik het pas over school hebben.

Welke vragen kwamen bij mij op?
- Hoe wil ik eigenlijk met de ouders zitten als ik later oudergesprekken moet gaan voeren? Zou ik de organisatie van de tafels op dezelfde manier doen?
- Hoe kan ik de ouders meer op hun gemak stellen?
- Er werd tijdens de gesprekken op de deur geklopt van ouders die hun gesprek wilden voeren, omdat het hun tijd was. Hoe ga ik hiermee om?

Themabijeenkomst 4 - Reflectie

Wat verwachtte je in deze bijeenkomst te leren om beter met je
leerling(en) om te kunnen gaan?

Ik verwachtte deze les dat we een handelingsplan gingen maken, waarbij we zouden letten op een individueel kind. Ik verwachtte dat we zouden kijken naar een groepsplan en dat we daarna vanuit dat groepsplan een handelingsplan zouden maken voor een individueel kind.

Is deze verwachting uitgekomen? Leg uit: waarom wel of waarom niet?
Deze verwachting is voor een groot deel uitgekomen. We zijn in deze les bezig geweest met het maken van een individueel handelingsplan en we hebben het bovendien gehad over groepsplannen. Ik had niet verwacht dat we zouden kijken naar een casus van een kind, maar dit vond ik eigenlijk beter. Zo worden we in mijn ogen beter voorbereid op het klinisch assessment.

Wat ben je van plan met de aangeboden kennis/inzichten te gaan doen in je stagepraktijk? Maak hier ook een verbinding met jouw Jonge -of Oudere Kind specialisatie.
Sowieso zul je later vaak bezig zijn met het schrijven van handelingsplannen. Ik heb met deze les geleerd dat je niet zelfstandig een handelingsplan hoeft te schrijven, maar dat je ook de input van het betreffende kind kan gebruiken om het handelingsplan completer te maken. Dit is iets wat ik zeker meeneem voor in de praktijk.

Themabijeenkomst 3 - Reflectie

Wat verwachtte je in deze bijeenkomst te leren om beter met je leerling(en) om te kunnen gaan?
Ik verwachtte deze les te leren over de verschillende leerproblemen die je in de klas kunt tegenkomen en hoe je hier op een goede manier mee om moet gaan. Met verschillende leerproblemen dacht ik dat we zouden kijken naar kinderen die bijvoorbeeld moeite hebben met rekenen of taal en hoe je deze kinderen kan begeleiden hierin.

Is deze verwachting uitgekomen? Leg uit: waarom wel of waarom niet?
Deze verwachting is eigenlijk niet uitgekomen. Ik dacht bij leerproblemen aan de leerstof die bepaalde kinderen niet zouden begrijpen en hoe je daar mee om zou moeten gaan, maar deze les ging meer over niet-taakgericht gedrag. Dat mijn verwachting niet is uitgekomen, wil niet zeggen dat ik deze les niet erg interessant vond.

Wat ben je van plan met de aangeboden kennis/inzichten te gaan doen in je stagepraktijk? Maak hier ook een verbinding met jouw Jonge -of Oudere Kind specialisatie.
We hebben door middel van deze casus gewerkt met attributies en verbalisaties. Tijdens de les vond ik dit al erg lastig, maar wel erg interessant om te zien hoe kinderen op bepaalde verbalisaties en attributies reageren. Hier wil ik tijdens mijn stage ook naar gaan kijken. Ik ben benieuwd hoe de kinderen uit mijn klas hierop reageren.