woensdag 18 april 2012

Toepassingskaart 6 - Observatie Leerprobleem (Tijdsteekproef)

Beginsituatie
Voor deze toepassingskaart heb ik gekeken naar A. A. is een leerling die mij tijdens het werken opviel. Wat mij voornamelijk opviel bij A. is dat hij tijdens het werken veel om zich heen keek of in ieder geval ergens anders naar toe keek dan naar zijn boek om te werken.
Wat ik met betrekking tot de taakgerichtheid van dit kind wil veranderen:
Aan het eind van mijn begeleiding kijkt leerling A. minder om zich heen tijdens het zelfstandig werken.

Hieronder de startobservatie die ik bij A. heb uitgevoerd.


Ik heb A. volgens de methodiek van de tijdsteekproef geobserveerd.
De uitkomst van deze tijdsteekproef is als volgt.

Van de 15 minuten die ik deze leerling heb geobserveerd:
was A. 44 % van de tijd taakgericht aan het werk.
was A. 25% van de tijd aan het dagdromen, rondkijken of met andere activiteiten bezig.
had A. 18% van de tijd contact met een medeleerling
had A. 0% van de tijd contact met een leerkracht
was A. 13% van de tijd aan het opstaan of aan het rondlopen.

Begeleiding
De begeleiding die ik heb gekozen voor A. is om wanneer A. met de taak gaat beginnen van tevoren bij A. te zitten en rustig te bespreken wat hij gaat doen en hoe hij dat gaat doen.

Na mijn begeleiding heb ik vervolgens een eindobservatie gedaan.


Ik heb A. opnieuw volgens de methodiek van de tijdsteekproef geobserveerd.
De uitkomst van deze tijdsteekproef is als volgt.

Van de 15 minuten die ik deze leerling heb geobserveerd:
was A. 56 % van de tijd taakgericht aan het werk.
was A. 13% van de tijd aan het dagdromen, rondkijken of met andere activiteiten bezig.
had A. 20% van de tijd contact met een medeleerling
had A. 9% van de tijd contact met een leerkracht
was A. 2% van de tijd aan het opstaan of aan het rondlopen.

De conclusie die ik op basis van deze observaties kan trekken, is als volgt.
A. was meer taakgericht aan het werk, 56% in plaats van 44%. A. was veel minder aan het dromen, 13% in plaats van 25% van de tijd. A. had wel iets meer contact met een medeleerling 20% in plaats van 18% van de tijd. A. had veel meer contact met een leerkracht, 9% in plaats van 0% van de tijd. Dit was echter wel op initiatief van de leerkracht. Ten slotte was A. veel minder aan het rondlopen, 2% van de tijd in plaats van 13% van de tijd.

Uiteindelijk kan ik concluderen dat mijn begeleiding wel heeft geholpen. Toch denk ik dat A. deze begeleiding wel nodig zal blijven hebben.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten